Ga naar hoofdinhoud

Interne vs. externe validiteit

Het verband in één zin: interne validiteitInterne validiteitDe uitkomst komt echt door wat je onderzocht, en niet door een storende variabele. Klik voor meer → (klopt mijn conclusie bínnen het onderzoek?) en externe validiteitExterne validiteitDe mate waarin je conclusie ook geldt buiten je onderzoek: voor andere mensen, situaties en momenten. Klik voor meer → (geldt die ook daarbuiten?) zijn de twee kanten van valideValideJe meet echt wat je wilt weten: passende methode, juiste groep, neutrale vragen. Klik voor meer → onderzoek — en maatregelen die de één verhogen, verlagen vaak de ander.

Naast elkaar

Interne validiteitExterne validiteit
KernvraagKomt de uitkomst echt door wat ik onderzocht?Geldt mijn conclusie ook voor andere mensen en situaties?
BedreigingStorende variabelen, geen controlegroep, sturende vragenTe kleine of eenzijdige groep, onrealistische testsituatie
Verhogen doorOmstandigheden gelijk houden, controlegroep, willekeurige indelingRepresentatieve groep (en groot genoeg), realistische situatie
Typische fout"Groep A scoort beter, dus het komt door de muziek" (terwijl ook het tijdstip verschilde)"Mijn drie vrienden vonden de app handig, dus scholieren vinden de app handig"

Ze zitten elkaar in de weg

  • Een strak gecontroleerd experiment (stil lokaal, vaste tijden, alles gelijk) is heel intern valide, maar lijkt weinig op de echte wereld: lage externe validiteit.
  • Een meting in het echte, rommelige leven (leerlingen leren thuis, wanneer en hoe ze willen) is realistisch, maar vol storende variabelen: lage interne validiteit.

Perfect scoren op allebei lukt zelden — ook echte wetenschappers moeten hierin kiezen. Waar het om gaat: maak een bewuste keuze, en benoem in je verslag wat de beperkingen van je aanpak zijn. Dat is geen zwakte, dat is precies wat een goede onderzoeker doet.

Oefenen: wat is hier mis?

Bepaal bij elke situatie of vooral de interne of de externe validiteit in gevaar is:

1Je test je studie-app alleen met je twee beste vrienden en concludeert dat leerlingen de app fijn vinden.

2Je vergelijkt de kiemsnelheid van zaadjes op de vensterbank (met licht) met zaadjes in de kelder (zonder licht) — maar in de kelder is het ook tien graden kouder.

3Je vergelijkt het huiswerkgedrag van leerlingen die zich vrijwillig voor een beloningssysteem opgaven met dat van de rest van de klas, en schrijft het verschil toe aan de beloning.

4Je meet in het lab dat fietsband-type X de minste weerstand heeft op een gladde rol, en concludeert dat X de beste band is voor op straat.