Ga naar hoofdinhoud

De keuzedriehoek

Het verband in één zin: bij het opzetten van onderzoek maak je per deelvraag drie keuzes — de functie (wat moet mijn antwoord doen?), het soort onderzoek (waar komt mijn antwoord vandaan?) en de methode van gegevensverzameling (hoe verzamel ik mijn gegevens?) — en die drie moeten bij elkaar passen.

De regel: je maakt de drie keuzes niet één keer voor je hele onderzoek, maar per deelvraag. Elke deelvraag krijgt zo zijn eigen driehoek.

Zo gebruik je de driehoek

Loop voor elke deelvraag deze drie stappen langs:

  1. Bepaal de functie. Moet het antwoord iets beschrijven (hoe is het?), vergelijken, definiëren, evalueren — of verklaren (waarom is het zo?)? De vorm van de vraag verraadt de functie.
  2. Kies het soort onderzoek. Staat het antwoord al ergens (literatuuronderzoek)? Moet je de echte situatie in (veldonderzoek)? Of moet je zelf iets veranderen om een effect te meten (experimenteel)?
  3. Kies de methode. Wil je gedrag zien (observatie), meningen horen (interview of enquête) of bestaand materiaal bestuderen (analyse)? Bedenk ook of je cijfers of woorden nodig hebt — die keuze voor het soort gegevens is geen vierde hoek van de driehoek, maar hoort bij je methode-keuze.

Controleer daarna of de drie keuzes bij elkaar passen. Een toetsende functie met alleen een paar interviews wringt bijvoorbeeld: voor het toetsen van een verklaring heb je een gerichte meting of een experiment nodig. Wringt het? Pas je keuze aan — of formuleer je deelvraag scherper.

Veelvoorkomende combinaties

FunctieSoort onderzoekMethode
DefiniërendLiteratuuronderzoekAnalyse van teksten
Puur beschrijvendVeldonderzoekObservatie of enquête
VergelijkendVeldonderzoekDezelfde enquête of observatie bij twee groepen
EvaluerendVeldonderzoekToetsen met gebruikers aan vooraf opgestelde eisen
ExplorerendVeldonderzoekInterviews, open vragen
ToetsendExperimenteel onderzoekMeting onder gecontroleerde omstandigheden

Dit zijn géén verplichte recepten — een evaluerende deelvraag kan bijvoorbeeld ook via analyse van materiaal — maar als jouw driehoek er heel anders uitziet, is dat een goed moment om even te controleren of hij klopt.

Uitgewerkt voorbeeld

Hoofdvraag: Hoe kan ik een plan van aanpak ontwerpen waarmee meer leerlingen bij ons op school met de fiets komen? (een ontwerpvraag — het eindproduct is een plan dat aan vooraf opgestelde eisen moet voldoen)

DeelvraagFunctieSoort onderzoekMethode
1. Wat verstaan we onder "actief vervoer" en wat is er bekend over fietsgedrag van jongeren?DefiniërendLiteratuuronderzoekAnalyse van teksten
2. Hoeveel leerlingen komen nu met de fiets, en verschilt dat per afstand tot school?Puur beschrijvend + vergelijkendVeldonderzoekObservatie (telling bij de ingang) + korte enquête
3. Waarom kiezen leerlingen die dichtbij wonen tóch niet voor de fiets?Verklarend-explorerendVeldonderzoekInterviews
4. Zorgt een beloningsactie van twee weken voor meer fietsers?Verklarend-toetsendExperimenteel onderzoekTelling vóór, tijdens en na de actie
5. Voldoet ons uiteindelijke plan aan de eisen van leerlingen en schoolleiding?EvaluerendVeldonderzoekEnquête onder leerlingen + interview met schoolleiding

Vijf deelvragen, vijf driehoeken — en samen beantwoorden ze stap voor stap de hoofdvraag. Let op hoe de functies logisch op elkaar voortbouwen: eerst definiëren en beschrijven, dan verklaren, en tot slot evalueren.

Kijk kritisch naar deelvraag 4

Alleen tellen vóór en ná de actie is nog geen waterdicht experiment. Was het tijdens die twee weken toevallig mooi weer, dan kan dát het verschil verklaren in plaats van de beloning: het weer is dan een storende variabele. Je opzet wordt sterker met een vergelijkingsgroep — bijvoorbeeld een parallelklas die niet meedoet — of door omstandigheden als weer en periode mee te noteren en te benoemen in je conclusie. Zie interne validiteit.

Oefenen: vul de driehoek in

Kies bij elke deelvraag de driehoek (functie · soort · methode) die het best past. Hoofdvraag: Hoe kan de mediatheek een fijnere studeerplek worden?

1Wat maakt een studeerplek volgens bestaand onderzoek prettig om te werken?

2Hoe wordt de mediatheek nu gebruikt: wanneer is het druk, en wat doen leerlingen er?

3Waarom studeren sommige leerlingen liever thuis dan in de mediatheek?

4Wordt er stiller gewerkt als de tafels in een andere opstelling staan?