Scepticisme
Het scepticisme is de opvatting dat je niets voor 100% zeker kunt weten. Elke bron van kennis — je zintuigen, je geheugen, je redenering, de mensen die je vertrouwt — kan je in principe bedriegen.
Waarom die twijfel?
- Je zintuigen bedriegen je aantoonbaar. Een rechte stok lijkt geknikt in het water; twee even grote cirkels lijken verschillend door wat eromheen staat. Als je ogen je hier voor de gek houden, waarom dan niet vaker?
- Je kunt niet buiten jezelf gaan staan. Om te controleren of je waarneming klopt, heb je weer een waarneming nodig. Je kunt de wereld nooit vergelijken met "de wereld zoals hij echt is".
- Dromen voelen echt. Terwijl je droomt, weet je meestal niet dat je droomt. Hoe weet je dan zeker dat je nú niet droomt?
Twijfel als gereedschap
Niet elke scepticus wil eindigen bij "niemand weet iets". Descartes gebruikte de twijfel juist als methode: hij zette alles wat ook maar een klein beetje wankelde opzij, om te zien of er iets overbleef dat de twijfel overleefde. Dat noemen we methodische twijfel — twijfelen om een steviger fundament te vinden, niet om alles af te breken.
"Je kunt niets zeker weten" betekent niet dat alle beweringen even veel waard zijn. Een conclusie uit tachtig zorgvuldige metingen is nog steeds veel sterker dan een onderbuikgevoel. Wie het scepticisme gebruikt om elk onderzoek weg te wuiven ("het is toch maar een mening"), begrijpt het verkeerd: de onzekerheid is juist de reden om zo zorgvuldig mogelijk te werk te gaan.
Je schrijft op: ‘binnen deze groep van tachtig leerlingen gold X — of dit ook voor andere scholen geldt, heb ik niet onderzocht.’
Je schrijft: ‘niemand weet toch iets zeker’, en laat daarom je meetresultaten maar weg.
Hangt samen met
- Hoe kom je aan kennis? — scepticisme naast rationalisme en empirisme
- Het inductieprobleem — de scherpste reden waarom volledige zekerheid niet bestaat
- De vier spelregels samen — het antwoord van de wetenschap op die onzekerheid