Ga naar hoofdinhoud

Noam Chomsky

geb. 1928 · modern rationalisme

Chomsky is taalkundige en emeritus hoogleraar aan het MIT, en de bekendste moderne vertegenwoordiger van een idee dat eeuwenoud leek: dat een deel van onze kennis aangeboren is. Hij onderbouwde dat niet met filosofische argumenten maar met taalonderzoek.

Kernidee: de armoede van de stimulus

Kijk naar hoe een peuter taal leert. Binnen een paar jaar maakt een kind zinnen die het nooit eerder gehoord heeft, met een grammatica die het nooit uitgelegd heeft gekregen. Tegelijk is de taal die het om zich heen hoort rommelig, onvolledig en vol versprekingen — en niemand vertelt het kind welke zinnen fóút zijn.

Uit zó weinig en zulke rommelige input zo'n ingewikkeld systeem afleiden, kan volgens Chomsky niet. Dat noemt hij de armoede van de stimulus. Zijn conclusie: een deel van de taalstructuur moet al aanwezig zijn — een aangeboren aanleg die hij de universele grammatica noemt. Ervaring vult die aanleg verder in, maar legt hem niet aan.

Daarmee keert hij zich rechtstreeks tegen het onbeschreven blad van Locke, en staat hij in de traditie van Plato en Descartes.

Wat je hieraan hebt bij je eigen onderzoek

Chomsky laat iets zien wat verder gaat dan taal: een filosofisch meningsverschil van tweeduizend jaar oud werd hier een onderzoekbare vraag. Niet "wat vind jij van aangeboren kennis?", maar: hoeveel taal hoort een kind precies, en hoeveel grammatica beheerst het op welke leeftijd?

Dat is exact wat je zelf doet bij het opstellen van je deelvragen: een grote, vage vraag omzetten in vragen die je met waarneming kunt beantwoorden.

Verder kijken

Hangt samen met

  • Rationalisme — de stroming die hij in de twintigste eeuw nieuw leven inblies
  • Locke — de tabula rasa waartegen hij zich keert
  • Empirisme — de tegenpositie in dit debat