Ga naar hoofdinhoud

Aristoteles

384–322 v.Chr. · empirisme

Aristoteles studeerde twintig jaar bij Plato — en keerde zich vervolgens tegen het hart van diens leer. Hij werd leermeester van Alexander de Grote en legde de basis voor bijna elke wetenschap die we nu kennen, van biologie tot logica.

Kernidee: de essentie zit in de dingen zelf

Waar Plato de Ideeën in een aparte werkelijkheid plaatst, houdt Aristoteles vol dat de essentie niet los van de dingen bestaat. Er zweeft geen volmaakt "Paard" ergens buiten de wereld; er zijn alleen echte paarden, en "paard" is de naam die wij aan die groep geven. Deze positie heet nominalisme (van nomen, naam).

Het gevolg is een heel ander onderzoeksprogramma. Wie de wereld wil kennen, moet niet in zichzelf keren maar naar buiten: waarnemen, verzamelen, vergelijken en ordenen. Aristoteles deed dat op grote schaal — hij beschreef honderden diersoorten en tientallen staatsvormen.

Om betrouwbaar te redeneren met wat hij vond, ontwierp hij de syllogistiek: de sluitrede in drie stappen.

Alle mensen zijn sterfelijk. · Socrates is een mens. · Dus Socrates is sterfelijk.

Klopt die vorm, dan is de conclusie onvermijdelijk waar zodra de twee uitspraken waarmee je begint waar zijn. Daarmee schreef hij de eerste logica ooit.

Wat je hieraan hebt bij je eigen onderzoek

Aristoteles levert de twee pijlers van je eigen werkwijze. De eerste: begin met systematisch beschrijven en ordenen, want je kunt pas verklaren als je weet hoe het zit — precies de volgorde die je aanhoudt bij het opzetten van je deelvragen.

De tweede: let op de geldigheid van je redenering. Een conclusie kan onwaar zijn doordat je gegevens niet kloppen, maar ook doordat de stap van gegevens naar conclusie niet deugt. Dat zijn twee verschillende fouten, en de tweede zie je zonder te meten.

Hangt samen met

  • Empirisme — de stroming die bij Aristoteles begint
  • Plato — zijn leermeester en tegenpool
  • A posteriori — kennis die pas na waarneming vaststaat