A posteriori
Kennis is a posteriori als zij pas ná en dankzij de waarneming vaststaat: je moet de wereld in om haar te kunnen bevestigen of verwerpen. Latijn voor "van wat erop volgt".
Voorbeelden
- Water kookt op zeeniveau bij 100 graden Celsius.
- 62% van de leerlingen komt met de fiets naar school.
- Deze klas telt achtentwintig leerlingen.
Geen van deze uitspraken kun je vanuit je stoel bewijzen. Er is niets tegenstrijdigs aan de gedachte dat water bij 90 graden zou koken of dat er 31 leerlingen in de klas zitten — het is gewoon niet zo, en dat weet je doordat iemand gekeken heeft.
Vrijwel alles wat je met je eigen onderzoek oplevert, is a posteriori: het is de opbrengst van tellen, observeren, vragen en meten. Dit is het domein van de empiristen.
Omdat a posteriori-kennis op waarneming steunt, is zij nooit absoluut zeker: je hebt niet alles gezien en je meting kan afwijken. Je conclusie is daarmee altijd een best onderbouwde uitspraak, geen bewijs. Hoe ver die uitspraak reikt, is precies het onderwerp van het inductieprobleem en van externe validiteit.
‘Op de vijf geobserveerde dagen nam gemiddeld 38% van de leerlingen de trap’ — vastgesteld door te turven.
‘Wie de trap neemt, neemt op dat moment niet de lift’ — dat volgt al uit de begrippen; daar hoef je niemand voor te observeren.
Hangt samen met
- A priori — de tegenhanger: kennis zonder waarneming
- De vork van Hume — waar a posteriori samenvalt met synthetische uitspraken
- Empirisme — de stroming die alleen deze kennis erkent
- Het inductieprobleem — waarom deze kennis nooit helemaal zeker wordt